Common grounds zijn voor mij de plekken waar we elkaar fysiek en mentaal vinden.

Het omvat de openbare of gedeelde ruimte (‘gemene gronden’), maar ook een gedeeld belang van twee of meerdere partijen die het op andere punten juist niet met elkaar eens zijn.1

Ik ben gefascineerd door common grounds als een filosofie voor sociale en duurzame gebiedsontwikkeling. Daarom doe ik voor mijn scriptie en stage (historisch) onderzoek naar de maatschappelijke en ecologische successen van common grounds.

Gedeelde ruimte

Al vanaf de middeleeuwen is het oppervlakte van openbare of gemeenschappelijk beheerde gronden in Nederland langzaam maar zeker afgebouwd. Zo zijn sommige openbare gronden in hun geheel geprivatiseerd, en zijn van andere de collectieve gebruiksrechten ingeperkt.

Toch zijn er overal in Nederland nog steeds openbare plekken te vinden waar we elkaar vrijuit kunnen ontmoeten; van de parken in onze steden, de lokale bibliotheek, de stoep voor de deur tot aan de duinen aan zee.

Gedeeld belang

Ongeacht hoe geïndividualiseerd Nederland ook is, er zijn tal van collectieve belangen waar Nederlanders elkaar vinden. Zoals in een goed draaiende economie, een stabiel energie-netwerk, maar ook in een aantrekkelijk landschap en de zorg voor ons cultureel erfgoed.


Historische voorbeelden

De mark

In met name op de arme zandgronden in het oosten van Nederland ontstonden in de middeleeuwen de marken. Dat waren verenigingen van boeren die vaak onafhankelijk van de lokale overheid samen toezagen op het collectieve gebruik en het beheer van bossen en heides. Om te beginnen voorzagen deze bossen in het benodigde bouw- en sprokkelhout dat nodig was om het boerenbedrijf in stand te houden, maar in een tijd waarin kunstmest nog niet was uitgevonden waren boeren ook in hoge mate afhankelijk van de mogelijkheid om plaggen te kunnen steken en hun dieren te kunnen weiden op deze gedeelde gronden.

De marken legden het gebruik van de gedeelde gronden met een systeem van regels aan banden om zodoende de uitputting van het bos en de heide te voorkomen. De zandverstuivingen die nu in grote mate de Veluwe kenmerken waren namelijk voor deze boeren het doemscenario. Hun gedeeld belang was daarentegen om de degradatie van het bos of de heide tot zandverstuiving juist te voorkomen. De marken kunnen daarom zelfs worden beschouwd als natuur- en milieuorganisaties avant la lettre.

Lange tijd groeide het aantal marken gestaag totdat ze door restrictieve overheidsmaatregelen in de 19de eeuw vrijwel allemaal werden opgeheven. Vandaag de dag zijn deze organisaties helemaal verdwenen. Toch worden sommige van deze voormalig gedeelde gronden nog steeds collectief gebruikt, hetzij totaal verschillend dan voorheen. Denk bijvoorbeeld aan de verschillende recreatiemogelijkheden in de productiebossen van Staatsbosbeheer.

Over de ondergang van de marken is veel bekend. Over het ontstaan ervan veel minder. Terwijl de opkomst van de marken door historici gewoonlijk rond de twaalfde eeuw wordt geplaatst, zullen er in de voorgaande eeuwen zeer waarschijnlijk ook al dergelijke organisaties hebben bestaan. Of deze organisaties ook marken werden genoemd, en of ze als de directe voorlopers van de marken mogen worden beschouwd blijft echter zeer raadselachtig. In mijn masterscriptie doe ik onderzoek naar het bestaan en de vorm van deze vroegmiddeleeuwse organisaties.

Animatie van de veranderingen in het aantal en de geografische distributie van Nederlandse markgenootschappen van de 10de tot de 19de eeuw.2